Vrijstelling van successierechten in het Vlaamse Gewest voor familiale bedrijven: nu ook uitspraak Grondwettelijk Hof
Vóór de wijziging door het decreet van 21 december 2007 gold als één van deze voorwaarden dat de familiale vennootschap of onderneming minstens vijf werknemers moest tellen (in de drie jaar voor het overlijden), uitgedrukt in voltijdse eenheden, die in het Vlaamse Gewest waren tewerkgesteld (artikel 60bis, §5 W. Succ. Vl. Gew.).
Het feit dat werknemers die niet in het Vlaamse Gewest tewerkgesteld waren, niet meetelden voor het al dan niet toekennen van de vrijstelling vond het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een inbreuk op artikel 43 EG (HvJ 25 oktober 2007).
Het Hof oordeelde dat ‘ artikel 43 EG in de weg staat van een belastingregeling van een lidstaat inzake successierechten waarbij de vrijstelling van deze rechten voor familiale ondernemingen niet wordt verleend aan ondernemingen die gedurende de drie jaar vóór het overlijden van de decujus ten minste vijf werknemers in een andere lidstaat tewerkstellen, hoewel deze vrijstelling wel wordt verleend wanneer de werknemers in een regio van eerstgenoemde lidstaat zijn tewerkgesteld '.
Deze regeling werd ook aangeklaagd voor het Grondwettelijk Hof en meer specifiek door middel van een prejudiciële vraag..
Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn beslissing van 8 juli 2010 geoordeeld dat artikel 60bis, § 5 W. Succ. Vl. Gew. (zoals dat gold voor de wijziging bij decreet van 21 december 2007) een schending inhield van de economische en monetaire unie, zoals voorgeschreven in artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (i.e. de regels voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten). Het Hof stelt dat doordat de in artikel 60bis, § 5 W.Succ. Vl. Gew. vervatte regeling, waarbij vrijstelling van successierechten enkel wordt verleend voor familiale ondernemingen of vennootschappen die gedurende de drie jaar vóór het overlijden van de decujus ten minste vijf werknemers tewerkstelden in het Vlaams Gewest, het moeilijker maakt voor familiale ondernemingen en vennootschappen om zich te vestigen in een ander Gewest van de Federale Staat dan het Vlaams Gewest en/of om te investeren in familiale ondernemingen of vennootschappen die zijn gevestigd in een ander Gewest van de Federale Staat dan het Vlaams Gewest.
In tussentijd werd de voorwaarde van tewerkstelling in het Vlaamse Gewest gewijzigd in een voorwaarde van loonlast in de Europese Economische Ruimte.
En deze voorwaarde werd dan weer als crisismaatregel tijdelijk op 0 gezet.
Zie voor een bespreking van de vrijstelling van successierechten in het Vlaamse Gewest voor familiale bedrijven: Handboek Tiberghien, nr. 3075 e.v.