De volledige administratieve en gerechtelijke procedure telt mee
Het arrest Grassucci e.a. t. Italië bouwt voort op Vegotex International S.A. t. België. In die Belgische fiscale zaak oordeelde het EHRM dat de redelijke termijn was overschreden. Het Hof beoordeelde de administratieve en gerechtelijke procedure in zijn geheel en stelde vast dat de bijzonder lange behandelingsduur (van bijna 14 jaar) onvoldoende verantwoord was.
De termijn begint niet noodzakelijk pas wanneer de belastingplichtige naar de rechtbank stapt. Zij vangt in beginsel aan wanneer de belastingplichtige officieel in kennis wordt gesteld van de voorgenomen fiscale rechtzetting met toepassing van een sanctie (met strafrechtelijk karakter). Vervolgens wordt de volledige administratieve en gerechtelijke betwistingsprocedure in aanmerking genomen. Bij de beoordeling houdt het EHRM rekening met de complexiteit van de zaak, het gedrag van de belastingplichtige, het optreden van de bevoegde autoriteiten en het belang van het geschil. Doorslaggevend is of de duur van de procedure, in zijn geheel beschouwd, nog redelijk is.
Ook een beperkte fiscale sanctie valt onder artikel 6 EVRM
In Grassucci e.a. t. Italië duurden de betrokken fiscale procedures tussen acht jaar en negen maanden en vierentwintig jaar en zeven maanden. Het EHRM oordeelde dat de opgelegde belastingverhogingen onder het strafrechtelijke luik van artikel 6 EVRM vielen omdat zij op algemeen toepasselijke bepalingen berustten en een afschrikkend én bestraffend doel hadden. Een hoog sanctiebedrag is daarvoor niet vereist: ook een beperkte fiscale sanctie kan wegens haar aard en doel een strafrechtelijk karakter hebben. Het ging onder meer om verhogingen van 14.460,72 EUR en om verhogingen van 200% die, wegens de beperkte onderliggende belasting, slechts 140,47 EUR tot 180,75 EUR bedroegen.
Het Hof stelde in alle betrokken zaken een overschrijding van de redelijke termijn vast.
Het op dezelfde dag gewezen arrest SIRVA NV t. België illustreert de toepassing van voormelde beginselen op een Belgische fiscale procedure. Hoewel het EHRM erkende dat de complexiteit van de zaak en de proceshouding van de belastingplichtige bepaalde vertragingen konden verklaren, konden deze elementen een totale duur van meer dan veertien jaar niet rechtvaardigen. De procedure is bovendien nog steeds hangende. Het Hof beoordeelde opnieuw de procedure in zijn geheel en stelde unaniem een schending van artikel 6 EVRM vast.
(Strenge) invulling door de Belgische rechtspraak?
(Ook) de Belgische rechtspraak houdt bij de beoordeling van de redelijke termijn rekening met de concrete procesgang. Zo kende het hof van beroep te Gent op 10 september 2024 verregaand rechtsherstel toe in een zaak over een btw-boete van 200%. De zaak had volgens het hof minstens tien jaar stilgelegen zonder redelijke verantwoording, waarbij de administratie haar eigen strafklacht gedurende tien jaar niet had opgevolgd. Nadat de boete eerst wegens onevenredigheid tot 50% was herleid, werd zij wegens de overschrijding van de redelijke termijn volledig kwijtgescholden.
Anderzijds oordeelde het hof van beroep te Brussel op 11 maart 2026 dat moest worden onderzocht of de vertraging aan de Belgische Staat kon worden toegerekend. De vraag is in welke mate deze conclusie nog houdbaar is in het licht van het SIRVA-arrest. Het gaat immers niet uitsluitend om het optreden van de fiscale administratie. Ook de duur van de procedure voor de hoven en rechtbanken valt onder de verantwoordelijkheid van de Belgische Staat. Een gerechtelijke achterstand kan dus niet buiten beschouwing blijven, louter omdat deze niet aan de fiscale administratie zelf te wijten is.
Conclusie
De arresten Grassucci en SIRVA bevestigen dat fiscale procedures m.b.t. een bestraffende en afschrikkende sanctie onder de redelijke-termijnwaarborg van artikel 6 EVRM vallen. Niet het bedrag van de sanctie, maar haar aard en doel zijn bepalend. Bovendien moet de duur van de administratieve en gerechtelijke procedure in zijn geheel worden meegenomen in de beoordeling.
Daarmee rijst de vraag of een terughoudende Belgische benadering, waarbij wordt gekeken naar de mogelijkheid voor de belastingplichtige om zelf sneller te procederen, nog zonder meer houdbaar is. Het gedrag van de belastingplichtige blijft relevant, maar ontslaat de overheid niet van haar verplichting om het fiscale geschil met de vereiste voortvarendheid te behandelen. Na SIRVA rijst bovendien de vraag of de positie van het hof van beroep te Brussel, dat vaststelde dat een buitensporige gerechtelijke achterstand niet aan de fiscus kan worden toegerekend, wel houdbaar is. De “Belgische Staat” is tenslotte één en ondeelbaar en omvat o.m. de belastingadministratie maar ook de rechterlijke macht?



