Standpunt van de belastingdienst
Wanneer een Belgisch inwoner een onroerend goed dat hij of zij in het buitenland bezit verhuurt, zijn de inkomsten uit deze verhuur in principe (krachtens de meeste dubbelbelastingverdragen) uitsluitend belastbaar in de staat waar het onroerend goed zich bevindt. Dit principe wordt door de Belgische belastingdienst niet in twijfel getrokken.
Zij is echter van mening dat een deel van de ontvangen huur in werkelijkheid overeenkomt met de verhuur van meubilair en acht zich dus bevoegd om de inkomsten uit het roerende deel van de verhuur te belasten.
Bij gebrek aan een uitsplitsing van de huur tussen het onroerend en het roerend deel, past de belastingdienst de forfaitaire regel toe dat 2/5 van de huur overeenkomt met het roerende deel. Vervolgens wil zij 2/5 van de huur belasten als roerende inkomsten die tegen 30 % worden belast, na aftrek van een forfaitaire kostenvergoeding van 50 % (tenzij de belastingplichtige kan aantonen dat hij hogere kosten heeft gedragen dan het forfaitaire bedrag).
De effectieve belasting in België bedraagt dus 6 % van de totale huurprijs (zonder rekening te houden met de belasting in de staat waar het onroerend goed zich bevindt).
Is deze dubbele belasting in strijd met het verdrag?
Dit standpunt van de belastingdienst roept vragen op, met name over de gegrondheid ervan in het licht van de verdeling van de heffingsbevoegdheid zoals bepaald door de dubbelbelastingverdragen. Is hier geen sprake van een duidelijke dubbele belasting van inkomsten uit onroerende goederen die in strijd is met het belastingverdrag, met name dat met Frankrijk?
Belgische ingezetenen die met deze situatie worden geconfronteerd, kunnen overwegen om de belasting op het roerende deel van de huur in België te betwisten middels de Belgische interne procedure. Er kunnen namelijk verschillende argumenten worden aangevoerd om de belastingbevoegdheid van België op grond van het verdrag te betwisten, waarvan sommige reeds gunstig werden onthaald in de rechtspraak.
Daarnaast zijn bepaalde internationale instrumenten beschikbaar: een verzoek om onderling overleg bij de Belgische en Franse belastingdiensten (dit kan echter bijzonder lang duren en is afhankelijk van de bereidheid van de staten om tot overeenstemming te komen, zonder dat er noodzakelijkerwijs een oplossing uit de bus komt) of een verzoek om beslechting van het geschil op basis van de Arbitragerichtlijn.
Voor elke procedure gelden strikte termijnen. Ons team staat tot uw beschikking om u te ondersteunen en zijn expertise aan te bieden in het kader van uw belastingcontrole.









